Hotel Gaasterland
bv
De geschiedenis van Rijs en het Rijsterbos
[Gemeentewapen]
[Het ontstaan van het landschap] [Rijs]
[Het ontstaan van het Rijsterbos]
[Huize
Rijs] [De bewoners van Huize Rijs] [Het
Vredestempeltje] [Het hunebed] [Activiteiten]
Gemeentewapen
Het
gemeentewapen van Gaasterland is een schild met een groene voorgrond, met
daarop een gouden korenstruik met volle aren, waar een rode haas voorbij
springt. Het overige gedeelte van het schild is een hemelsblauwe lucht.
Het schild is gedekt met een gouden kroon.
NB : het schild gedekt met een gouden kroon van 3 bladeren en 2 parels.

IJstijd
Het
werkelijke ontstaan van Gaasterland ligt echter veel eerder in de jaartelling.
Het was in de ijstijd dat grote ijsmassa's uit Noord-Europa in zuidelijke
richting schoven. Grote en kleine stenen werden meegevoerd. Sommigen werden
tijdens de reis geheel of gedeeltelijk vermalen tot leem. Deze massa stapelde
zich op in het zuiden van Friesland.
Na
de ijstijd brak de zon door. Hier door veranderde het ijs in smeltwater.
Dit water schuurde de stenen glad en bedekte het glooiende landschap met
aangevoerd zand. Later ontstond in de lage gedeelten veen. Hierover heen
kwam een laagje klei dat uit de zui derzee afkomstig was.
Veel
later kwamen de eerste mensen er wonen. Zij noemden deze streek 'gaasten'.
Omdat de hoog gelegen streek hen deed denken aan andere zandruggen die
'geesten' of 'geestgronden' werden genoemd. Zo is de naam Gaasterland ontstaan.
Talrijke
vondsten van stenen werktuigen verduidelijken dat er al heel vroeg mensen
in Gaasterland hebben gewoond. De werktuigen zijn afkomstig van de zogenaamde
Neanderthalers en meer dan 100.000 jaar oud. Verder zijn er materialen
gevonden uit de laatste ijstijd, 12.000 jaar geleden. Ook uit de jonge
steentijd (ca. 2400 v.C.) zijn in Gaasterland veel vondsten ge daan. Die
maken duidelijk dat er toen althans veel intensieve bewoning is geweest.
Uit die tijd dateren vermoe delijk ook de restanten van het hune bed in
het Rijsterbos.
Rijs
(Fries:Riis)
Rijs
ligt aan de weg Oudemirdum - Hemelum. Het telt nu ongeveer 200 inwoners.
Rijs
is in de 19de en 20ste eeuw door ontginning van buurtschap uitgegroeid
tot een dorp. Het was rond die tijd niet meer dan een klein buurtje onder
Bakhuizen. Markant onderdeel daarvan was 'Huize Rijs' waarvan het woonhuis
in 1937 werd gesloopt. Rond dit huis nam na 1850 de bebouwing toe. Er verrezen
enkele villa's, hotel en woonhuizen. Een van de mooiste villa's die er
nu nog staat is het in 1912 gebouwde 'Mooi Gaasterland'. Ooit was het een
buitenhuis van een edel geslacht. Daarna werd het een kinderkoloniehuis.
Nu
is het al weer jaren een Medisch Kinderhuis. Naast deze villa staat sinds
1947 een kapelletje van de
'Dochters
van Onze Lieve Vrouw van het Heilige Hart'. Deze vonden hun oorsprong in
1882 in Issoudun te Frankrijk. Het hoofdklooster voor Nederland staat in
Tilburg.
Dit
is echter niet het enige wat Rijs met het geloof verbind.
In
830 stichtte Odolf een kapittel in Stavoren. Na een verval in 1132 werd
het omgezet in een Abdij van Benedictijnen. Deze Abdij had onder andere
een uithof in Rijs. Dit was een kapel waarin een beeld van Maria in Friese
kledij stond. Hierdoor werd Rijs een soort bedevaartsoord. In 1400 is de
Abdij in Stavoren verwoest. 15 jaar later begon men met de herbouw in het
zuiden van Stavoren, maar de abt en een deel van de monniken hadden zich
in de uithoven in Rijs en Hemelum gevestigd, zodat het toezicht ontbrak.
De Abdij werd zwaar geteisterd door Ige Galama en opnieuw verwoest. In
1495 werd ze verplaatst naar Hemelum. Een andere villa die
er nu nog staat is 'Rijsterbosch'. Dit is jarenlang een café-restaurant
geweest. Thans is 'Rijsterbosch' het kantoor en woonhuis van Dhr. J.H.
de Jong, direkteur en eigenaar van Hotel Gaasterland.
In
het begin van deze eeuw was er ook een steenfabriek nabij Rijs. In 1916
werden hier een honderdtal Belgische vluchtelingengezinnen ondergebracht.
Rijs is al jaren een toeristische plaats. Er zijn dan ook een aantal campings,
twee hotels, een restaurant en natuurlijk het bekende Sybrandy's Ontspanningscentrum.
Een soort pret park waar zelf de ouders nog als klein kind kwamen spelen.
Het
ontstaan van het Rijsterbos
Galama
In
de historie wordt er voor het eerst over aanleg van bos verteld in het
midden van de 9e eeuw (845). Verder bestond Gaasterland uit uitgestrekte
heidevelden. Hierdoor kwamen veel zandverstuivingen voor als gevolg van
ondermeer overbegrazing. De eerste eigenaar van Rijs was de familie Galama
(een edel geslacht uit Koudum) die hun stins aan wat nu heet de Smitsleane
bij Rijs hadden staan. De Galama's lieten van de vaak dorre heide vruchtbare
grond maken.
Schwartzenberg
Later
kwam Rijs met de omliggende aan gelegde beplanting in handen van de familie
Schwartzenberg. Deze liet een vaart van Rijs naar Kolderwolde graven en
noemde het de Schwartzenbergsloot. De Schwartzenbergsloot die tegenwoordig
gewoon de Rijstervaart heet, heeft verschillende zijtakken die doodlopen
in Rijs. Een grote zijtak was de Merdersloot die via de meertjes Rijsterpoel,
't Witwater, de Merderpoel en de Kolk uitkwam bij de Zuiderzee. Intussen
zijn de meertjes ingepolderd en de Merdersloot heeft nu 3 verschillende
namen, namelijk de Spookhoekstervaart, Witakkersvaart en gedeelte heet
de Sefonstervaart.
De Ruyter de
Wildt
Aan
het eind van de 17e eeuw kwam Rijs in handen van de Heer De Ruyter de Wildt.
Hij was Secretaris ter Admiraliteit van Amsterdam geweest, Intendant van
de Zeemacht van de staat en Geheime Raad van de Stadhouder-Koning Willem
III. Hij was nog maar net op het nieuw opgetrokken 'Slot Rijs' gaan wonen,
of hij gaf het bevel aan zijn werklui om de heuvelachtige en dorre heidevelden
egaal te maken. Van eén deel moesten ze korenvelden maken en het
andere deel moest worden beplant met tabak. Hiervoor moesten ook koren-
en tabaksschuren gebouwd worden. Gelijktijdig werd ook begonnen met het
bebossen van Gaasterland. Terwijl het zo goed ging met het koren en het
bebossen, wilde het met de tabak niet zo goed vlotten. In Mirns was al
een tabaksschuur gebouwd om de wind door de opgestoken bladeren te laten
spelen tot ze droog waren. Helaas, de tabaksbouw bleef niet meer dan een
experiment.
Foeke
Sjoerds (schoolmeester/historicus ) heeft deze fiasco voor het
nageslacht vastgelegd. De cultuur van het edele kruid, zei hij, 'vond weinig
voortgang, alzo de tabak zeer onsmakelijk, bitter, stinkende, en van eene
onaangenaame reuk en geur zijnde, gene liefhebbers vond, en overzulks de
kool het vet niet waerdig was'.
Rengers
De
ontginning van Gaasterland zette zich in de 17e en 18e eeuw gestaag voort.
Na De Wildt kwamen, zo rond 1756, de Grietmannen van Harichsteradeel op
'Slot Rijs' wonen. Jonkheer Ulbo Aylva Rengers en ook zijn zoon Lamoraal
Albert Aemelius Rengers, die zijn vader als grietman opvolgde, hadden een
belangrijke inbreng in de voortgang van de ontginning.
Van Swinderen
In
1825 nam de Groningse welgestelde familie Van Swinderen haar intrek in
het grote huis. Het was vooral deze familie die wegen ging aanleggen en
de bodem verbeterde. Via speciaal aangelegde vaarten werd van elders uit
Friesland vruchtbare terpaarde aangevoerd. Van deze vooruitstrevende familie
komt aan Jonkheer Meester J.H.F.K. van Swinderen de eer toe het goede evenwicht
te hebben gezocht tussen ontginning en bebossing, waardoor Gaasterland
de uitgebreidste en vermakelijkste lustplaats van Friesland werd genoemd.
In
het laatst van de eeuw moest de familie van Swinderen door geldgebrek (
waarschijnlijk door het kelderen van de aandelen in het Suezkanaalproject
) vele stukken bos verkopen. Een gretige koper was de N.V. Stichting Exploitatie
Maatschappij Gaasterland, die de aangekochte percelen bos op radicale wijze
produktief maakte of die bij stukken en beetjes doorverkocht aan boeren,
die er prompt de ploeg door heen trokken. Vele bomen werden gekapt en verkocht
in Duitsland. Dit leverde een niet te versmaden extra centje voor de arme
Gaasterlandse landarbeider op. Want wat de hereboer hem vaak op het erf
en de akker onthield, maak te het bos weer goed. Wie aan de rand van de
honger leeft, eet zonder wroeging de schoonheid op.
Gaaikema
Het
was de toenmalige burgemeester van Gaasterland, die zich inzette tegen
het onoordeelkundige gebruik van de bossen in zijn gemeente. Verontrustend
door het toenemende boomverlies wees hij zijn gemeenteraadsleden op de
schade en op het belang dat de gemeente bij het voortbestaan van
de bossen in Gaasterland had. Er moet nog gered worden wat er te redden
valt, meende burgemeester Gaaikema: de bossen die er nog zijn moeten we
behouden en beschermen. In 1926 besloot het gemeentebestuur unaniem het
advies in daad om te zetten en deed daarmee één van de voor
de gemeente Gaasterland historisch belangrijkste besluiten. Het grootste
doel van deze aankoop van de gemeente was om de bossen voor onder meer
het toerisme veilig te stellen.
Jacob Hepkema beschreef in het begin van deze eeuw zijn wandeling door het Rijsterbos. Hij liep van zijn logement ('recht dorpelijk volgens Hepkema') dwars door het bos naar de toen nog Zuiderzee-oever. Via de statige Mirnserlaan kwam hij bij het zeelaantje. Hier volgt zijn relaas: "Gelijk de bezoeker van de donkere grot van Han (België) als hij aan het eind gekomen plotseling verrast wordt door het heldere... zonnelicht, zoo wordt de wandelaar hier aan 't einde der bosschen verrast door de.... zee. De overgang van donker en licht, van bosch en water, geschiedt als bij toverslag; zóó waant men zich nog in een uitgestrekt woud en zoo ziet men den waterspiegel der zee, zóó waren het nog de zangers in de twijgen, die't oor bekoorden en zoo verschijnen de stormvogels en bergeenden voor ons oog, met visschers pinken op de kust en rookende stoombooten in 't verschiet. Intusschen ontwaart men dicht bij het Zeelaantje ééne opene plek in de beschoeiing, waar de golven vrij mogen binnentreden. Niet zelden wordt hier gebaad en wie voor herstel en niet om vertoon de zee zoekt, vindt er zee- en boschlucht tegelijk, te midden van natuurschoon en heerlijke landouwen. Als dus de badplaats Schiermonnikoog eens overbevolkt mocht worden en de aandeelhouders naar een nieuwe gelegenheid zoeken, dan is deze kust en dit oord zeker aan te bevelen."
Spookverhalen
Over
het Rijsterbos zijn ook spookverhalen bekend. Hier volgt zo'n verhaal:
Er
was eens een vrijer die om middernacht van zijn meisje huiswaarts keerde.
Hoewel het natuurlijk donker was, nam hij om tijd te winnen toch de weg
door het Rijsterbos, want die weg was de kortste. Op de Spokersberg gekomen
zag hij het: een gedaante die op een kalf leek. Ze was grauw van kleur
en snelde op enkele meters afstand dwars voor hem over de weg. Nu kunt
u zeggen dat de vrijer bij 't meisje een glaasje teveel had gehad, maar
er zijn andere Gaasterlanders geweest die het spookkalf ook hebben gezien.
Nu
is het Rijsterbos sinds 1941 in het bezit van de Friese Vereniging "It
Fryske Gea". Deze streeft ernaar het bos, dat in 1941 grotendeels uit hakhout
bestond, te hervormen in gemengd opgaand bos. Eik en berk nemen er een
grote plaats in naast de Japanse lariks, douglasspar, zilverspar en fijn
spar. De zeer afwisselende samenstelling geeft het bos een bijzondere bekoring.
Het trekt daarom ook jaarlijks tussen de 30.000 en 40.000 bezoekers.
Het is ongeveer 170 hectare groot en heeft een stervormig net van lanen.
Al lange tijd komt hier de das voor. Er zijn dan ook verschillende dassenburchten
te vinden in het Rijsterbos. Dit is een ingewikkeld hol, compleet met gangenstelsel
van soms wel tientallen meters en verscheidende ingangen en kamers. Ook
de blauwe reiger broed al sinds jaar en dag in een grote kolonie in het
Rijsterbos.
Eén
van de laatste belangrijke gebeurtenis in het Rijsterbos was de vestiging
van V 2-startbanen in de 2e wereldoorlog. Deze stonden op de plaats waar
nu de "Wildtskuorre" staat, het werkgebouw van It Fryske Gea.
De
vroegere naam is 't Slot. Het werd gebouwd voor de Heer De Ruyter de Wildt.
Omdat hij al een goede carrière achter de rug had op zee, wilde
hij zich nu gaan bewijzen als 'landrot'. Huize Rijs moest een landgoed
worden, waartegen de gewone mensen met respect zouden opzien en dat vooral
de familie en de welgestelde kennissen jaloers moest maken.
Een
goede beschrijving van het slot werd gemaakt door Jacob Hepkema (),
journalist, schrijver en stichter van het Nieuwsblad van Friesland. Hepkema
was omstreeks deze eeuwwisseling in Rijs geweest. De familie Van Swinderen
was toen eigenaar van 't Slot. Hier volgt zijn verslag.
't
Slot is al oud, niet fraai, zonder kunst of vliegwerk, rustig als de omgeving,
wel groot, maar toch eenvoudig. 't Is geen state of stins met torens en
kijk- of schietgaten, poorten en grachten, niets van dat al, maar een deftig
landhuis, dat spreekt van veiligheid en vreê. Meer natuur dan kunst,
treft hier het oog meest trotsche eiken, beuken en linden. Trouwens de
bewoners van dit huis hielden er nooit van, de natuur teveel te dwingen
of haar door allerlei menschenwerk te ontsieren. Kent ge de prachtige lindenlaan
voor 't slot, die dubbele rijen rijzige opgeschoten stammen met afhangende
takken, sprekend van gelijkheid en broederschap, dat lichte groen met zijn
donkere schaduwen, dat heerlijke lommer, waar de koeltjes van open veld
komen spelen, zelfs als de middagzonne brandten zich in 't bos geen enkel
blaadje beweegt."
Zonder
dat ook maar iemand zich er iets van aantrok werd het slot in 1937 afgebroken.
Alleen de klok uit de toren en een stuk muur zijn overgebleven. De klok
werd in de muur van de op dezelfde plaats verrezen villa gemetseld en de
muur is nu een omheining tussen 'Villa Rijs' en Hotel Jans. Momenteel bevindt
deze klok zich -volgens de huidige bewoners- niet meer in de muur, maar
in het gemeentehuis van Balk.
De
meeste bewoners van 'Huize Rijs' staan al in de vorige hoofdstukken beschreven.
Ging het daar om hun aandeel in de aanleg van het Rijsterbos, nu zal ik
meer de persoonlijke dingen van de bewoners aanhalen.
Zoals
gezegd was de eerste bewoner de Heer de Ruyter de Wildt. Hij was een heer
van deftige allure; onmiddellijk verried hij zich als een man met gezag.
Zijn functies in Amsterdam logen er ook niet om. Hij had een goede carrière
achter de rug voor hij naar Rijs kwam. Al wou het hier met de tabak niet
lukken, toch is hij heel belangrijk voor het begin van Rijs geweest.
Over
de volgende bewoners -het geslacht Schwartzenberg (van oorsprong uit Frankenland
14e eeuw, ca. 1550 kwam door een huwelijk de oudere tak naar Friesland)-
is weinig bekend. De weinige dingen die bekend zijn staan beschreven in
de vorige hoofdstukken.
In
1756 kwam de eerste grietman op 'Huize Rijs' wonen. Dit was Jonkheer Ulbo
Aylva Rengers. Hij was grietman van het toenmalige Harichstradeel. Later
volgde zijn zoon Lamoraal Albert Aemelius Rengers als grietman en bewoner
van 'Huize Rijs' op. Als laatste werd het landgoed aangekocht door de Van
Swinderens, een Gronings geslacht, waarvan verschillende leden burgemeester
van Gaasterland zijn geweest. Deze familie werd zeer geacht en de Freulepartij,
die hier voor speciaal was opgericht, zorgde ervoor dat de beminde jonkvrouw
Quiri na J.J. van Swinderen van 1927 tot 1941 lid van de gemeenteraad was.
Eén
van de jonkers Van Swinderen was in het laatst van de vorige eeuw niet
alleen geliefd als burgemeester, maar ook als weldoener. Hij steunde boeren
en arbeiders financieel om het hen mogelijk te maken maatschappelijk wat
vooruit te komen en hij stond bekend als een 'lânhearre', die bijzonder
lage huren vroeg. Om de scheepvaart te bevorderen liet hij een vaart graven
die de naam Van Swinderenvaart kreeg. Daarna steunde hij een aantal mensen
bij het kopen van een schip, zodat ze op de kleine binnenvaart hun brood
konden verdienen. Anderen hielp hij aan geld voor emigratie naar Amerika.
's Zaterdags hield hij een speciaal spreekuur voor de Gaasterlanders die
op een of andere manier geholpen moesten worden. Zelf is hij, als gevolg
van een verkeerde belegging, onder armoedige omstandigheden gestorven.
Het
was toen deze Van Swinderen op het Slot in Rijs woonde, algemeen gebruik
dat de mannen de pet afnamen als ze langs liepen. Want mijnheer zoù
eens voor het raam kunnen staan. Ja, als men het in die tijd over 'Mijnheer'
had dan kon daar maar één mee worden bedoeld. Hij werd zelfs
wel 'de God van Gaasterland' genoemd.
Het Vredestempeltje staat al bijna 180 jaar in het Rijsterbos. Het is een zeshoekig priëel die van voren open is. Het dak rust op twee pilaren. Het werd in de loop der jaren verschillende malen hersteld en herbouwd. Voor het laatst in 1977.
Steeds weer kwamen er tijden, waarin de tekst op de kroonlijst actueel werd. Het werd aangebracht in het jaar 1814, toen Napoleon naar Elba werd verbannen en Nederland weer vrij was.
Vrede, groot geschenk van God,
blijf bestendig Neerlands lot,
Laat het dankbaar op uw zien,
Altijd twist en wraakzucht vliên.
Een treffende bede, maar er kwam een tijd waarin de Duitse bezetters slechts een tiental meters van deze plaats hun V2-raketten met donderend geraas afvuurden.
Een
zekere Kouwenhoven, die in maart 1849 in de jonge bosaanplanting bij Rijs
bezig was greppels te graven, stuitte op de stenen van het préhistorisch
graf. Daar de op het slot wonende jonkheer Van Swinderen een paar dagen
afwezig was, kon de arbeider hem niet op de hoogte brengen van zijn vondst
en spitte evenwel onvermoeid door, want hij was wel nieuwsgierig naar wat
er te voorschijn zou komen. Hij groef steeds dieper. Hij haalde alles wat
hem in de weg kwam omver en sloeg de stenen aan gruis.
Spoedig
na de thuiskomst van Van Swinderen had men wel in de gaten dat er iets
belangrijks verloren was gegaan. De Leidse archeoloog Dr. L.J. Jansen had
er de toen nog vrij verre reis naar Gaasterland voor over om zich op de
hoogte te stellen. Wat hij aantrof was een verre, zuidwestelijke uitloper
van de Drentse hunebedden. In Drenthe hebben slopers trouwens ook heel
wat hunebedden vernield.
In
Rijs vond de Leidse doctor de vernietiging ook maar een triest geval. Hij
maakte een tekening en een beschrijving van de historische plek en publiceerde
die in 'De Vrije Fries'. Ook in het Algemeen Handelsblad verscheen een
bericht waarin gemeld werd, "dat op het landgoed Rijs, 2 el beneden den
boschgrond, een hunebed is gevonden, 7 el lang en 2 à 3 el breed,
saamgesteld uit zware keistenen van verschillende grootte, waarvan de gansche
hoeveelheid op ruim 30 lasten steens wordt geschat. Op den bodem daarvan
vond men onderscheidende donderbeitels en urnen".
Een
journalist van het Nieuwblad van Friesland kreeg van de Leidse geleerde
een aantal aardige bijzonderheden over "een langwerpige, vierkante, uit
groote steenbrokken samengestelde grafkamer, op 78 duim diepte. West was
de kamer open, Oost had zij één enkele steen, Zuid twee en
Noord vijf. De laatsten hadden een halve el midden lijn, doch de sluitsteen
aan de oost zijde was meer dan een el lang en hoog meer dan en last zwaar".
Verder vermelde de doctor, dat de stichters van de Gaasterlandse steenconstructie
hebben behoord tot de vroegste bewoners van dit gewest - ca. 2400 voor
Christus - en naar alle waarschijnlijkheid afkomstig waren uit het Oostzeegebied.
Het hunebed heeft waarschijnlijk als woning dienst gedaan.
In
1922 stelde een Groningse professor A.E. van Giffen nog eens een onderzoek
in en vond de standsporen van elf draagstenen. Daardoor kon hij de vorm
van het hunebed helemaal reconstrueren. Ook heeft hij toen mooi geslepen
vuurstenen bijlen en aardewerkscherven (grafgiften) gevonden. Karakteristiek
is de diepsteekversiering op het aardewerk. De vaten bevatten waarschijnlijk
spijs en drank voor het hiernamaals. In 1958 is een gedenksteen op de plaats
van het vroegere hunebed aangebracht. Deze gedenksteen is afkomstig van
het Oudemirdumer Klif.
O, Gaasterland! Schoon Gaasterland!
Waar dat ik ooit mag zwerven,
Moet derven of verwerven,
Ik voel mij steeds aan u verwant,
Ik wijd aan u mijn hoofd en hand,
Ik wensch me een woning op uw zand,
En op uw grond te sterven.
( Bergumer Courant )
In
1996 heeft men een nieuw onderzoek gestart naar het hunebed.
Hieruit
is gebleken dat het hunebed eigenlijk een steenkist is.
Activiteiten
Op de eerste zaterdag
van augustus wordt elk jaar een veel toeschouwers trekkend
concours hippique
gehouden. Dit jaar is dat op 1 augustus 1998.
Spectaculair is ook
de vossejacht met ruiters op de laatste zaterdag van november
in de Gaasterlandse
bossen.